Israël: land (2)

Israël: land (2)

In deze artikelenreeks besteden we aandacht aan het thema ‘land’ in het Jodendom. Elk spreken over ‘land’ kan in een tijd waarin we denken vanuit ‘natiestaten’, problematisch zijn. Dat geldt in nog hogere mate voor het spreken over het land Israël. Zeker in de huidige situatie met de gruwelijke oorlog in Gaza – die volgde op de barbaarse aanval van Hamas op Israëlische dorpen en het gijzelen van mensen op 7 oktober 2023 – en het misdadige optreden van kolonisten op de Westbank.
Toch wagen we een poging. Israël is een volk, een land en sinds 1948 een staat. Een staat waarvan de huidige extreemrechtse, nationalistische regering de oorlog in Gaza, het onrecht op de Westbank en nu ook de oorlog in Libanon ook met Bijbelteksten en teksten uit de traditie legitimeert. En daarbij worden die teksten letterlijk toegepast op de huidige situatie. Het ‘land Israël’ en de ‘staat Israël’ zijn echter twee afzonderlijke thema’s. Zoals Lody van de Kamp ooit zei: ‘Een staat is geen land’. De bijbel en de uitlegtraditie spreken over ‘land’, niet over ‘staat’.

De vorige bijdrage over ‘land‘ eindigde met de vraag ‘het land; een gedroomd land?’ In deze bijdrage staan we stil bij de vraag ‘Wat leren we over de wijze waarop de tocht naar het land is gegaan?’

Geen weg terug
In de paar verzen in Exodus die de uittochtgeschiedenis samenvatten, lezen we over land: ‘En Ik zal jullie brengen naar het land waarover Ik gezworen heb [lett. ‘Mijn hand heb opgeheven’] om het te geven aan Abraham, Izak en Jakob en Ik zal het geven aan jullie tot bezit’ (Ex 6,8 [in vele vertalingen vers 7]). Wij zouden kunnen verwachten dat voor de kortste weg naar het land gekozen zou worden. Toch lijkt het net wat anders te liggen. De weg daarnaar toe is een lange weg. Zo lezen we in Exodus:

‘Toen Farao het volk liet heentrekken, heeft God hen niet geleid over de weg door het land van de Filistijnen, hoewel die nabij is; want God zei, opdat het volk niet van besluit verandert als ze de oorlog zien, en ze terugkeren naar Egypte! Daarom laat God het volk omtrekken [rondtrekken; een omweg maken] over de weg door de woestijn naar de Rietzee.’ (Ex 13,17-18a)

De vertelling van de uittocht begint dus met ‘de weg die niet genomen wordt’. Want, zo zegt het Bijbelvers, als ze met oorlog te maken krijgen – omdat de Filistijnen hen niet in vrede zullen laten passeren – zullen zij terugkeren naar Egypte. Avivah Gottlieb Zornberg (1944, Schotland, Israel) zegt daarover:

De logica van Gods denken gaat over de wens van het volk om terug te keren naar Egypte. Als de terugtocht te gemakkelijk (direct en recht) zou zijn, zouden zij de verboden wens overdenken en daarnaar handelen. Daarom leidt Hij hen langs een omweg, in de hoop dat dat hun subversieve gedachten voorkomt. Door zicht te krijgen in Gods gedachteproces leert de lezer een essentieel feit: de wens van het volk om terug te keren naar Egypte, zelfs in de eerste euforie van vrijheid.
[The Particulars of Rapture: Reflections on Exodus. New York 2001, p. 200]

We krijgen een inkijkje in de psyche van een net bevrijd volk, dat nog niet helemaal beseft wat dat betekent. Rabbi Jonathan Sacks 1948-2020; Groot-Brittannië) legt een ander accent:

Het lijkt er […] op dat de omweg waarop God de Israëlieten leidde niet bedoeld was om ervoor te zorgen dat ze niet wilden terugkeren, maar eerder om ervoor te zorgen dat ze niet in staat zouden zijn om terug te keren. De wonderbaarlijke wijze waarop zij door de Rietzee worden geleid is te vergelijken met Caesar’s oversteek van de Rubicon of Cortes die zijn boten verbrandde voordat hij het rijk van de Azteken veroverde. Het maakte terugkeer onmogelijk. Wat hun twijfels en angsten ook waren, de Israëlieten hadden geen echte keuze. Ze moesten voort blijven gaan, zelfs toen bleek dat het nog veertig jaar zou duren voordat een nieuwe generatie hun bestemming zou bereiken. (Jonathan Sacks, The Longer, Shorter Road, Beshalach 5778 [2018])

De omweg door de woestijn èn de doortocht door de zee maakten het terugkeren onmogelijk. Zelfs als ze onderweg met oorlog worden geconfronteerd, zoals die van de Amalekiet en de Kanaäniet (zie Num 14,45), dan is er geen weg terug meer.

Woestijn vóór land
In de derde maand na de uittocht uit Egypte komen ze aan bij de woestijn Sinaï. Daar hoort Mozes:

En jij, blijf hier bij Mij staan; dan zal Ik tot jou spreken al de geboden en inzettingen en rechtsvoorschriften die jij hun zult leren en zij zullen doen in het land, dat Ik hun geef om te bezitten. […] In heel de weg die de Eeuwige, jullie God, jullie gebiedt, zullen jullie gaan opdat jullie leven en het jullie goed gaat en jullie lang mogen verblijven in het land, dat jullie zullen bezitten. (Deut 5,27.29 (in vele vertalingen 31.33))

In de woestijn sluit God een verbond met hen. Ze ontvangen de Tora. Met daarin ook de voorschriften over hoe te leven in het land. ‘Wanneer jullie komen in het land dat Ik jullie geven ga…’ (zie o.a. Num 15,18; 34,2; 35,10) is een vaak terugkerende inleidingszin van lessen over het leven in het land waarnaar ze op weg zijn. Jonathan Sacks (1948-2020; Groot Brittannië) zegt daarover:

Overal elders was er eerst een land en daarna een wet. Het Jodendom vormt de enige uitzondering. Eerst kwam de wet en pas daarna – een generatie later – het land. Dat was mogelijk omdat in het Jodendom God de bron van de wet is. […] Overal elders geldt: verlies je je land, dan verlies je de wet. […] De wet is [daar] verbonden met het land […] Zo niet in het Jodendom. Omdat de Tora in de woestijn werd gegeven voordat het volk het land Israël binnenging, was de wet er al vóór het land. [Jonathan Sacks, Numeri, 62]

Huwelijksreis
De tocht van Sinaï naar Kanaän is slechts ongeveer elf dagen. Dat blijkt te kort om het slavernijverleden in Egypte helemaal achter zich te kunnen laten. Het klagen en terugverlangen naar Egypte blijft. Daarom krijgen ze, vlak vóór ze bij het land Kanaän aangekomen zijn, te horen dat het verblijf in de woestijn nog veertig jaren zal duren: ‘al de mannen die Mijn heerlijkheid en Mijn tekenen hebben gezien, die ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij [nu al] tien keer op de proef hebben gesteld en niet naar Mijn stem hebben geluisterd; zij zullen het land niet zien, dat Ik gezworen heb aan hun vaders; geen van allen die mij geminacht hebben, zullen het zien’ (Num 14,22-23). ‘Veertig jaar omzwerven in de woestijn […] totdat jullie, tot de laatste toe, in de woestijn gevallen zijn’ (Num 14,33).

Vanwege de angst voor het op eigen benen staan in een land, kan het land niet gegeven worden aan de huidige generatie. Waren de veertig jaren in de woestijn dan enkel daarvoor? Jonathan Sacks zegt daarover:

De jaren in de woestijn waren niet simpelweg, of zelfs in de eerste plaats, jaren van [opstand en] rebellie. Ze waren de eerste huwelijksreis tussen God en Zijn volk. Zij waren wat we tegenwoordig jichoed noemen, het moment in de huwelijksceremonie waarop bruid en bruidegom alleen samen zijn. Het sluiten van het verbond op de berg Sinaï was een vorm van huwelijk, en hoewel er veel huiselijke ruzies waren in die eerste jaren, van de kant van de echtgenoot – God Zelf – was er enkel liefde. Die liefde mag dan soms gekwetst, verraden en gewond zijn geweest – maar het was nog steeds liefde. [Jonathan Sacks, Numeri, 69]

De woestijntijd was ook een huwelijksreis van God met Zijn volk. En aan die onopgeefbare band herinneren ook de woorden van Hosea die, bij het omwikkelen van de tefillin (gebedsriemen), als een trouwring om de vinger, worden uitgesproken: ‘Ik zal je voor altijd met Mij verloven; Ik zal je met Mij verloven in gerechtigheid en recht, liefde en mededogen; Ik zal je met Mij verloven in trouw, En je zult God kennen’ (Hos 2,21-22 [in vertaling vaak 18-19]).

In de volgende bijdrage over ‘land’ staan we stil bij de vraag ‘hoe werd het land gegeven tot bezit?’

Henk Scholder en Niek de Wilde,
judaici en medewerkers van de Stichting LeV