Was Jezus een Hilleliet of een Sjammaiet?

Was Jezus een Hilleliet of een Sjammaiet?

Dodo van Uden

In het vorige artikel in deze serie (De Farizeeën – Hillel en Sjammai) hebben we gezien dat er binnen de farizeese beweging twee grote stromingen te onderscheiden zijn, die van Hillel en die van Sjammai. Aangezien Jezus in zijn opvattingen volop binnen de farizeese beweging stond (en misschien wel zelf een farizeeër was, zie De Farizeeën en Jezus), rijst de vraag tot welke farizeese stroming hij behoorde. Was Jezus een Hilleliet of een Sjammaiet?

Natuurlijk
Op het eerste gezicht lijkt dat een overbodige vraag. ‘Sjammai is ongeduldig en strikt, Hillel is mild en flexibel,’ concludeerden we in het vorige artikel. Dus, zijn we geneigd te zeggen, natúúrlijk moet Jezus een Hilleliet geweest zijn.
In zijn algemeenheid klopt dat inderdaad. Er zijn vele punten van overeenkomst tussen de opvattingen van Hillel en die van Jezus. We noemen een paar voorbeelden.
In de eerste spreuk die van Hillel is overgeleverd, zegt hij:

Behoor tot de leerlingen van Aäron,
vrede liefhebbend en vrede najagend [Misjna Avot 1,12]

Daar heeft Jezus zich zeker in kunnen vinden:

Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden (Matteüs 5,9)

… houdt vrede onder elkaar (Marcus 9,5)

In een andere overlevering zegt Hillel:

Oordeel je medemens niet, totdat je in zijn plaats bent gekomen [Misjna Avot 2,4]

Ook daar is Jezus het mee eens:

Oordelen jullie niet, opdat men jullie niet oordeelt (Matteüs 7,1)

Het accent dat Hillel en Jezus leggen verschilt, maar de basisgedachte is hetzelfde: Je moet niet lichtvaardig over een medemens oordelen.
Een andere opvallende overeenkomst tussen Hillel en Jezus vinden we in het verhaal over de proseliet-met-haast, dat we in het vorige artikel citeerden. Daarin vat Hillel de kern van de Tora samen met de woorden:

Wat jou onaangenaam is, doe dat niet aan een ander. Dat is de hele Tora […] (Babylonische Talmoed, Sjabbat 31a,6)

En Jezus zegt:

Alles nu waarvan jullie willen dat de mensen jullie doen, doen ook jullie dat voor hen. Want dat is de Tora en de profeten. (Matteüs 7,12)

Ondanks het verschil in formulering is de bedoeling hetzelfde: Behandel een ander (niet), zoals je zelf (niet) behandeld wilt worden, de zogenaamde gulden regel.
De conclusie lijkt duidelijk: Jezus stond in zijn opvattingen heel dicht bij Hillel.

Leerlingen
Maar er zijn ook teksten die in een andere richting wijzen. In het vorige artikel citeerden we de discussie tussen de leerschool van Sjammai en de leerschool van Hillel over het aannemen van leerlingen:

‘Doet veel leerlingen opstaan’ (Misjna, Avot 1,1).
De leerschool van Sjammai zegt: Men moet alleen lesgeven aan iemand die wijs is, deemoedig, uit een goed nest komt, kortom: geschikt is.
De leerschool van Hillel zegt: Men moet lesgeven aan iedereen. Want er waren vele overtreders in Israel, maar toen zij naderden tot de studie van de Tora, kwamen er uit hen rechtvaardigen, getrouwen en geschikten [Avot deRabbi Natan A, hoofdstuk 2,9. Vgl. voor de tekstcorrectie versie B].

Op het eerste gezicht lijkt Jezus ook hier de opvatting van de leerschool van Hillel te volgen. Hij predikt immers regelmatig voor de ‘scharen’ (Matt. 7,28; 9,35vv; 13,2vv; 15,10; Mc 2,13; Mc 6,34; 12,37 e.a.). Maar als we nauwkeuriger kijken, komt een ander beeld te voorschijn. Als inleiding op de Bergrede wordt verteld:

En toen hij de scharen zag, ging hij de berg op, 
en terwijl hij ging zitten, kwamen zijn leerlingen bij hem.
En hij opende zijn mond en leerde hen, zeggende: 
Zalig de armen van geest … (Matt 5,1-3)

Tegen wie spreekt Jezus hier? Wie is de ‘hen’ die hij leert? Aan het eind van de Bergrede, in Matt 7,28, reageren de ‘scharen’ op wat Jezus heeft gezegd. Maar als we naar de inhoud van de Bergrede kijken en naar de parallellen in Lucas (Luc 6,20; 11,1), dan lijkt Jezus in de Bergrede toch vooral tegen zijn leerlingen te spreken (‘Jullie zijn het zout der aarde’, ‘Jullie zijn het licht der wereld’ (Matt 5,13v).
Jezus kiest, in overeenstemming met het voorschrift in Pirkee Avot, leerlingen. Maar hij kiest er maar twaalf. Volgens de Talmoed had Hillel er tachtig (Baba Para 134a,6). En als iemand zich als leerling bij Jezus meldt, wordt hij afgewezen. Omdat hij eerst afscheid wil nemen van zijn huisgenoten (Luc 9,61v) of omdat hij niet al zijn bezit wil weggeven (Matt 19,16vv). Jezus stelt kennelijk hoge ’toelatingseisen’, net als Sjammai.

Dezelfde afwijzende houding klinkt door in wat Jezus zegt in Matt 7,6:

Geeft het heilige niet aan de honden
en werpt jullie parels niet voor de zwijnen.

Jezus acht kennelijk niet iedereen waardig om zijn leerling te worden of zelfs om zijn leer te horen. Daarin staat hij veel dichter bij Sjammai dan bij Hillel.

Echtscheiding
Een bekende discussie tussen de leerschool van Sjammai en de leerschool van Hillel gaat over de echtscheiding:

De leerschool van Sjammai zegt: Een man mag zijn vrouw niet scheiden, tenzij hij bij haar een devar erwa [letterlijk: een zaak van schaamte, d.w.z. een verboden seksuele handeling] heeft gevonden, want er is gezegd: ‘wanneer hij bij haar een erwat davar vindt’ (Deut 24,1). En de leerschool van Hillel zegt: [Hij mag haar scheiden,] zelfs als zij zijn eten laat aanbranden, want er is gezegd: ‘wanneer hij bij haar een erwat davar vindt’ (Deut 24,1). [Misjna, Gitien 9,10]

De leerschool van Sjammai en de leerschool van Hillel gaan uit van hetzelfde vers in Deuteronomium, maar leggen het verschillend uit. Het probleem is de merkwaardige uitdrukking erwat davar. Erwa betekent: naaktheid, schaamte, geslachtsdelen (zie Lev 18: ‘je mag niet de geslachtsdelen ontbloten van …’, d.w.z. je mag geen geslachtsgemeenschap hebben met …). Davar betekent: zaak, ding, iets. Maar wat de combinatie erwat davar (letterlijk: naaktheid van een ding) betekent is onduidelijk.

De leerschool van Sjammai legt de nadruk op het woord erwa en leest het als ‘een zaak van geslachtsgemeenschap’. Dat wil zeggen dat een man zijn vrouw scheiden mag, als zij overspel heeft gepleegd.
De leerschool van Hillel legt de nadruk op het woord davar en vat erwa niet op als iets sexueels, maar als iets dat niet deugt in het algemeen. Dat wil zeggen dat een man zijn vrouw mag scheiden als de relatie zo verziekt is dat zij hem opzettelijk en stelselmatig verbrand eten voorzet.

Kennelijk is de discussie tussen de leerschool van Sjammai en de leerschool van Hillel op dit punt in Jezus’ tijd nog niet beslist, want we vinden hem ook in het Nieuwe Testament. In Matt 19, 3 leggen enkele Farizeeën Jezus de vraag voor:

Is het geoorloofd om zijn vrouw te scheiden om elke reden?

Jezus wordt hier dus gevraagd of hij het eens is met het standpunt van de leerschool van Hillel. En het antwoord van Jezus is:

Wie zijn vrouw scheidt anders dan vanwege hoererij en een andere trouwt, pleegt overspel. (Matt 19,9)

Met andere woorden: Echtscheiding is alleen toegestaan als de vrouw verboden seksuele handelingen heeft verricht. En dat is precies het standpunt van de leerschool van Sjammai.[1]
Het valt op dat zowel in de discussie tussen de leerscholen van Sjammai en Hillel als in het gesprek tussen de Farizeeën en Jezus de kwestie van de echtscheiding uitsluitend besproken wordt vanuit het perspectief van de man. Wat de vrouw ervan vindt is kennelijk niet relevant. Ook op dit punt past Jezus naadloos in zijn patriarchale tijd.

Conclusie
Op de vraag of Jezus een Hilleliet was of een Sjammaiet, kunnen we dus geen eenduidig antwoord geven. In vele opzichten zijn Jezus’ opvattingen verwant aan die van Hillel. Maar op sommige punten lijkt hij meer op Sjammai.
Aan het begin van dit artikel poneerden we de ironische stelling: ‘Sjammai is ongeduldig en strikt, Hillel is mild en flexibel. Dus, zijn we geneigd te zeggen, natúúrlijk moet Jezus een Hilleliet geweest zijn.’
We kunnen in elk geval concluderen dat deze stelling niet zonder meer klopt.


[1] In de parallelle teksten in Marcus (10,12v) en Lucas (16,18) ontbreekt de voorwaarde ‘anders dan door hoererij’ en lijkt Jezus dus echtscheiding onder alle omstandigheden af te wijzen.