In het kleine sjoeltje van Zuidlaren – plaats van samenkomst van de Progressief Joodse Gemeente Noord-Nederland – brandt altijd een lampje, het ner tamid, het ‘eeuwige licht’. Enkele jaren geleden waarschuwde een voorbijgangster degene die de sjoel afsloot na een dienst, dat er nog licht brandde. Waarop haar verteld werd dat ze juist moest waarschuwen wanneer het lichtje niet meer zou branden.
Dit altijd brandende lampje in de synagoge is een voorbeeld van de bijzondere betekenis van ‘licht’ in de Joodse traditie. Dit ‘ner tamid’ herinnert aan de zevenarmige kandelaar die in de Tempel stond. Dit lampje brandt meestal voor de aron hakodesj, de kast waarin de Torarollen staan en symboliseert de goddelijke aanwezigheid, de sjechina en het verwijst naar de Tora als eeuwig licht dat op onze weg schijnt. Zonder Tora, zonder ‘Weisung’ kunnen wij niet leven. Spreuken 20:27 spreekt van ‘Een lamp van de Ene is de levensadem van een mens.’ Een andere vertaling luidt: ‘Een licht van de Eeuwige, is de ziel van de mens.’
In het grote gebed in de synagoge, de Amida (het Achttiengebed) lezen we in de 19de zegenspreuk: ‘Schenk vrede, goedheid, zegen, geluk, trouw en liefde aan ons en aan heel Israël Uw Volk. Zegen ons allen samen, onze Vader met het licht van Uw aangezicht, want door het licht van Uw aangezicht, Eeuwige onze God, heeft U ons Tora als aanwijzing ten leven gegeven: onbaatzuchtige liefde, rechtvaardigheid, zegen, mededogen, leven en vrede….’
In de eerste verzen van de Tora, het boek Beresjiet (Genesis), lezen we hoe Gods adem (we roeach elohiem merachefet) zweeft over de wateren en God uit zich: ‘Er zij licht’, jehie or, ‘en er was licht’, wajehie or. Er is licht, dankzij de duisternis. Er is duisternis, dankzij het licht. De eerste zegenspreuk (beracha) voor het Sjema in het dagelijkse ochtendgebed luidt: ‘Geprezen bent U, Eeuwige onze God, die het licht heeft gevormd en het duister heeft geschapen; die vrede maakt en die alles heeft geschapen; die de aarde verlicht en met mededogen over haar heerst…’ Zo ook de eerste beracha voor het zeggen van het Sjema tijdens de sjabbatochtenddienst: ‘Geprezen bent U, Eeuwige onze God, Koning van tijd en ruimte, die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en alles schept…’
Het bovenstaande laat zien hoe ‘licht’ in de joodse traditie een diepe spirituele en religieuze betekenis heeft. Nog even terug naar het ‘ner tamid’. Dit lampje heeft ook nog een andere betekenis. Het is ook het symbool voor de ziel. Wanneer in de familie iemand overleden is, steken de nabestaanden een ‘ner tamid’ of ook wel ‘ner nesjama (licht van de ziel) aan. Dit lichtje blijft gedurende het gehele rouwjaar branden en wordt daarna elk jaar op de jaartijd van de overledene een etmaal aangestoken.
Het aansteken van het licht vormt door het jaar heen een steeds weerkerend ritueel. Bij iedere joodse feest- of gedenkdag, Pesach, Rosj Hasjanna, Jom Kippoer, en iedere Sjabbat worden kaarsen aangestoken. Het is een ritueel waarbij scheiding wordt gemaakt tussen het profane (dagelijkse, gewone) en het heilige (een feest- of gedenkdag). Een klein, maar wezenlijk element hierbij is dat de kaarsen niet worden aangestoken ‘voor de gezelligheid’ of als verlichting. Ook mag het licht van de kaarsen niet gebruikt worden om ander licht aan te steken.
In het wekelijks terugkerende ritueel van het aansteken van twee sjabbatkaarsen op de avond bij de ingang van de sjabbat (erev sjabbat) wordt gehoor gegeven aan de oproep in de Tora om de sjabbat in stand te houden. De sjabbat als een moment van licht en vreugde. Met het licht van de sjabbatkaarsen wordt koningin Sjabbat verwelkomt. De week is voorbij, nu komt de zevende dag waarop gerust mag worden. Het einde van de sjabbat wordt met het aansteken van het Havdala-licht ingeleid. De Havdalakaars (Havdala = scheiding) is dikwijls een gevlochten kaars, bestaande uit meerdere witte of gekleurde stengels, maar met tenminste twee pitten, symboliserend dat de Eeuwige meer dan één lichtbron heeft geschapen.
Na het zeggen van de zegenspreuken over de vrucht van de wijnstok, over de welriekende kruiden (als herinnering aan de sjabbat), over de Eeuwige, Schepper van het licht en tenslotte over het onderscheid tussen licht en duisternis, tussen het heilige en het alledaagse wordt het licht gedoofd in de wijn. Het is weer duister, totdat op de volgende vrijdagavond het licht weer wordt ontstoken.
De lichtjes van de sjabbat kandelaars herinneren ook aan de schepping van de zon en de maan (Beresjiet 1:16 ‘En God maakte de twee lichten aan het uitspansel’). Volgens een midrasj waren de zon en de maan oorspronkelijk even groot. De maan wilde echter de grootste zijn, waarop de Eeuwige bepaalde dat degene die de grootste wilde zijn, de kleinste moest zijn. De twee sjabbat kaarsen zijn beiden even groot en verwijzen hiermee naar een vreedzame wereld zonder afgunst en rivaliteit.
Chanoeka – overigens geen bijbelse feestdag – is bij uitstek het feest van de lichtjes. Het verhaal gaat als volgt. De Syrische koning Antiochus IV Epiphanes ontwijdde de Tempel en maakte er een tempel ter ere van de Griekse god Zeus van. Echter, in 165 voor de gewone jaartelling veroverde Juda de Makkabeeër de tempel en wijdde de tempel weer in. Deze gebeurtenis wordt ieder jaar met Chanoeka (= Inwijding) herdacht door middel van het branden van acht lichtjes. De Makkabeeën troffen wel de Menorah aan, maar slechts olie voor één dag. Echter, na het aansteken van de lichtjes bleven ze acht dagen branden. Zo worden nog steeds in december de lichtjes van de chanoekia (de negenarmige kandelaar) aangestoken, iedere dag een lichtje meer, daarmee licht toevoegend aan het licht.
Tea G. Rienksma